Even stil staan bij …….

Het is vijf uur ’s nachts. Al meer dan een half uur lig ik wakker in bed en dat is niet de eerste keer deze week. Nadat ik nog twee keer geprobeerd heb mijn ogen dicht te doen om in slaap te vallen, staak ik mijn pogingen. Dit is wederom een verloren nacht en ik drentel door een slapend huis naar beneden. 

Op de bank in de huiskamer voel ik me moe en onrustig en bedenk me dat dit de vierde aaneengesloten nacht van slapeloosheid is. Het patroon is daarbij steeds gelijk: ik slaap goed in, maar na een paar uur word ik bezweet wakker, steeds door hetzelfde beeld: een man die massaal bloed opgeeft en vervolgens sterft, terwijl ik aan weerszijden zijn hoofd vasthoudt. Het is een beeld van een situatie die een kleine week eerder daadwerkelijk optrad en zich nu op mijn netvliezen heeft vastgezet.

Voor alle betrokkenen op mijn werk is het een traumatische gebeurtenis. We deden een bronchoscopie (kijkonderzoek in de long), een routine-ingreep, ik nam een biopt uit een zichtbare tumor, maar toen ineens vanuit het niets was er die massale en niet te stelpen bloeding. Het is onverwacht en ook niet te voorkomen. Zijn overlijden korte tijd later -godzijdank als hij onder narcose is- voltrekt zich razendsnel, als een soort van logisch vervolg op alle afschuwelijke gebeurtenissen die zich zo dicht onder mijn handen voltrekken. 

Aanvankelijk handel ik verdoofd, in een waas van routine voer ik alle belangrijke gesprekken met zijn echtgenote en vul de belangrijke papieren in. Professioneel onderdruk ik mijn emotie: “Nu even niet”, denk ik en bij het verlaten van de ziekenhuisruimte spreek ik nog even de verpleegkundige die erbij was en wens hem sterkte. Op de gang tref ik een collega-specialist die al in de wandelgangen gehoord had over de traumatische gebeurtenissen van een uur eerder. Ze pakt mijn bovenarm vast en vraagt hoe het met me gaat. Ik bespeur dat er tranen opwellen in mijn ooghoeken, maar weet ze weg te drukken. “Goed,” zeg ik. Het is fijn, deze onverwachte aandacht. 

Ik loop nog even naar de ziekenhuisbestuurder en licht haar in. Ook daar is weer die fijne persoonlijke aandacht. ’s Avonds vertel ik mijn vrienden over de schokkende gebeurtenissen van eerder die dag. Ik praat niet vaak over mijn werk, maar in bijzondere gevallen is het luisterend oor van een partner of vrienden een uitstekende uitlaatklep voor reflectie. Het lukt en het gesprek gaat al snel weer over andere dingen. Mijn collega en zijn vrouw appen me laat in de avond hoe het gaat. “Goed, heel goed, bedankt”, antwoord ik eerlijk. 

Maar dit keer is het anders. Dat heb ik nog niet direct door.

Al snel verdwijnen de gebeurtenissen van de dag naar de achtergrond. Het leven zoeft die avond, nacht en dag erna gewoon voort. Het is druk thuis met kleine kinderen, luiers, eten klaar maken en slaapliedjes die de gaten in de tijd om te overdenken die ik vroeger wel eens had, hebben opgevuld. Een extra knuffel voor het slapen gaan, dat wel. De dag erna is het ook druk op het werk, deze zomerperiode staan de poli’s vol en er is veel administratief werk. 

Maar in de nachten erna slaap ik onrustig en zie steeds hetzelfde beeld van stromend bloed uit zijn mond, terwijl ik uit alle macht probeer de bloeding te stelpen met medicijnen als otrivin en adrenaline die ik via de scoop toedien. Het zijn allemaal machteloze bewegingen, zo blijkt als ik zie dat we verliezen, omdat het zicht op het bloedende gebied verdwijnt doordat het beeld voor me helemaal donkerrood wordt en zijn bloeddruk kort erna compleet instort.

Ik bemerk dat ik uit evenwicht raak en dat bevreemdt mij, want ik ben en voel me ervaren op dit vlak. De afgelopen twintig jaar heb ik veel narigheid rondom sterven en de dood meegemaakt. Het zal krasjes op mijn ziel hebben nagelaten, maar ik meende te weten hoe ik ermee om moest gaan. Soms nam ik dat mee naar huis als de rauwe beelden van een overlijden bleven hangen, bij voorbeeld van een veel te jonge man met zijn kinderen rondom zijn bed of die eerste keer dat ik een euthanasie deed. Maar ook die beelden en gedachten doofden uit in uren of hooguit een dag. Niet eerder werd ik bezweet wakker en niet eerder viel ik vervolgens ook in het geheel niet meer in slaap.

Het verontrust me en praat op mijn werk over mijn slaapgebrek van de afgelopen dagen. Er zijn luisterende oren en ik hoor termen als EMDR vallen. Dat lijkt me zo kort na de gebeurtenissen een brug te ver en dat is ook niet wat ik nu nodig heb. Ik bemerk dat juist de gesprekken over ervaringen van andere collega’s zoals IC-verpleegkundigen en specialisten mij helpen. Ik dank degene die me adviseert om het verhaal op te schrijven en in de laatste nacht, waarin ik niet slaap doe ik dat. Nauwgezet en gedetailleerd. In beelden. Haperend, want het emotioneert me. 

Als de zon opkomt en ik de regels nog een keer nalees, merk ik ineens dat ik het akelige gevoel kwijt raak. De beelden staan niet meer op mijn netvlies gebrand, maar het zijn woorden geworden, woorden op een beeldscherm. Volgende maand zal ik ze delen met zijn echtgenote als ze dat wil, maar voor nu is het goed. 

Ik wil blijven voelen, praten, delen en verwerken. En slapen. 

Nu ik nog eens reflecteer, besef ik vooral dat de ‘peer support’ mij geholpen heeft. Het zijn juist de gesprekken geweest met collega’s die aan halve woorden genoeg hebben. In steeds meer ziekenhuizen bestaan deze ‘peer support’-teams, waarbij traumatische gebeurtenissen nabesproken worden, individueel en in groepsverband. Hoe waardevol is het om deze onzekere gevoelens te delen en niet door te ploeteren, terwijl de werkdruk toch al hoog is. Krasjes op een ziel kunnen krassen worden en jezelf of anderen schaden. Ik ben er helemaal voor dat elk ziekenhuis zo’n team invoert en inzet. 

Want als ik als ervaren kracht al uit evenwicht raak, ook al was het heel kort, maar zeer krachtig. Als ook mij dat overkomt, hoe vergaat het dan mijn minder ervaren collega?

Sander de Hosson (41) is longarts en schreef het boek ‘Slotcouplet’ over zijn ervaringen in de palliatieve zorg. Zie hier voor meer info.

Met dank aan: Mascha Kamphuis.

‘De mensen moeten niet zo streng zijn voor zichzelf’

‘De mensen moeten niet zo streng zijn voor zichzelf’

Interview (Marjoleine Vos: 16 augustus 2019 NRC) Het systeem waarin we leven zet mensen sterk onder druk, vindt essayiste Marian Donner. Alles en iedereen moet altijd beter. Maar waarom eigenlijk? „Ik wil het individu bevrijden.”

Tijdens het tv-programma College Tour werd aan zangeres Anouk gevraagd of ze nog tips had voor de studenten. Nee, had Anouk gezegd. Ze had gewoon mazzel gehad. Heel veel mensen konden beter zingen dan zij, maar die waren niet beroemd geworden. 

Zo’n antwoord, dát vindt schrijfster en essayiste Marian Donner (1974) zoals we zouden moeten praten. „Mensen die succesvol zijn zeggen vaak dat ze daar gekomen zijn door heel hard te werken, groot te denken, ‘laat je door niets en niemand tegenhouden’, ‘accepteer geen nee’ – allemaal hyper-individueel. Wat Anouk zei, vind ik een vorm van verantwoordelijkheid nemen. Dat je niet het verhaal gaat ophangen van ‘hoe ik het allemaal goed heb gedaan en hoe ik het allemaal wél red’. Bijna iedereen werkt heel hard. Toch zijn er te veel mensen die het niet halen.”

Ze wil de wereld veranderen. Het systeem veranderen. Het boek dat ze onlangs publiceerde, Zelfverwoestingsboek heet het, heeft als ondertitel: Waarom we meer moeten stinken, drinken, bloeden, branden & dansen. Hoofdstuk na hoofdstuk legt ze uit wat ze bedoelt. Ze bedoelt zoiets als: leef! Wees vrij! Laat je niet steeds op de kop zitten door de wereld die zegt dat alles wat niet goed gaat aan jou ligt.

Een pamflet noemt ze het zelf, maar het is wel meer dan dat.

„Het is een aanklacht tegen de wereld waarin we leven. Ik kwam erachter dat wat ik had geschreven eigenlijk steeds op hetzelfde neer kwam. Dus dit is echt wat ik vind: jij bent niet het probleem, dat is de wereld. En het verdwijnen van de menselijke maat.”

Ogenschijnlijk is er veel aandacht voor die menselijke maat. Het is erg in de mode om goed voor jezelf te zorgen, om aan mindfulness en yoga te doen, naar je lichaam te luisteren enzovoort. Maar dat bevalt Donner al evenmin, al vindt ze zelf yoga ook prettig. Ze noemt al die zelfzorg een andere vorm van ‘regels’. „Jij moet leren relaxen, als je een burnout krijgt dan heb jij je grenzen niet goed aangegeven. Het gaat zelden over de werkdruk die mensen ervaren. Dan krijg je weer van die adviezen als ‘zet je telefoon eens uit’. Maar wat als je afhankelijk bent van opdrachtgevers die anders naar de volgende gaan? Die zelfhulpboeken richten zich altijd heel erg op jou, en ik wilde dat omdraaien, ik wilde zeggen: het ligt niet aan jou, het ligt aan de wereld en ik wilde die wereld beschrijven, hoe we allemaal klein en ongelukkig gehouden worden.”

En dus moeten we meer stinken en drinken en dansen.

„Mijn adviezen zijn eigenlijk ondermijningen van het systeem. Ik wilde niet in de val trappen dat ìk dan ga zeggen wat je moet. Ik wilde laten zien hoe tijd verdoen, drinken bijvoorbeeld, of je niet aan het perfecte lichaam-ideaal houden, stinken dus, hoe dat een ondermijning is. Ik wil niet dat iedereen alcoholist wordt. Het is eigenlijk een bewustwordingsboek. Kijk hoe we allemaal geconditioneerd worden om de beste versie van onszelf te worden, hard te werken, op school braaf te zijn, bij de les te blijven…”

Dat heeft de wereld natuurlijk altijd van de mens gevraagd.

„Maar die norm is wel steeds strikter geworden. Als je nu naar studenten kijkt, die mogen maar vijf jaar over hun studie doen, ze hebben vaak een superindrukwekkend cv, doen er nog vrijwilligerswerk bij – in mijn tijd waren dat echt de uitzonderingen. Je moet investeren in later, altijd maar later, later, later. 

„En als je kijkt naar de beelden die ons overspoelen, allemaal volmaakte lichamen, de sterren zijn met botox ingespoten. De norm is nu wel erg op perfectie gericht.”

Denkt u dat de mensen dat ook echt internaliseren?

„Niet allemaal natuurlijk, maar iedereen voelt wel die druk. Het zijn zó veel factoren. Ook de huizen zijn veel duurder geworden, dus je moet harder werken wil je een woning kunnen kopen. Als je nu niet mee kunt komen ben je een loser en ligt het aan jou. Vroeger, en zeker in de jaren zestig, werd de afwijking gevierd, degenen die buiten het systeem stonden. Dat kan nu helemaal niet meer.”

De burgerlijke wereld wees die mensen toen ook af. Langharig werkschuw tuig.

„Maar ze werden veel meer gevierd in de kunsten. Die hele generatie van kunstenaars van toen die zat echt veel in de kroeg, echt héél veel. Nu kunnen kunstenaars geen tijd verdoen, als je alleen al 1.000 euro moet verdienen om de huur te kunnen betalen… Zo krijg je ook andere kunstvormen.”

Minder eigenaardige vormen bedoelt u?

„Meer bevestiging van de status quo. Persoonlijk mis ik die afwijkingen. Ik had het er laatst met een vriendin over dat we vroeger over straat liepen en dan Herman Brood tegenkwamen op zijn blote voeten, schreeuwend, of dat het levende kunstwerk Fabiola over straat liep, en we vroegen ons af: waar zijn zulke mensen gebleven? De straten zijn ook allemaal veel schoner, de rafelranden verdwijnen, kraken is verboden, het Bungehuis is een zogenaamd ‘SoHo House’ geworden, dat heet dan voor de kunsten te zijn, maar het zijn succesvolle reclamemensen die daar rondhangen.

Afbeelding met persoon, bril, binnen, muur

Automatisch gegenereerde beschrijving

Lees ook: Zelfzorg is geen afwijzing van plezier

„Depressie is wereldwijd volksziekte nummer één geworden. Dat moet beter kunnen. En als je naar de aarde kijkt – eigenlijk is iedereen en alles uitgeput, de aarde, de dieren, de mensen. Dat is het systeem waarin we leven.”

En dat systeem is het kapitalistische systeem.

„Waar alles altijd gericht is op hoe je meer en beter kunt en moet zijn. Dat geldt voor jezelf en voor de economie. Mijn boek is een poging om een spaak in het wiel te steken.”

U schrijft dat het geen systeem is waar je ook uit kunt stappen.

„Nee dat is het briljante. Door die huizenprijzen bijvoorbeeld kun je moeilijk zeggen: ik doe er gewoon niet aan mee.”

Je kunt ook denken: ik hoef niet in Amsterdam te wonen.

„Ja, maar dat vind ik dan heel jammer voor Amsterdam. Want dan krijg je een stad waar alleen maar rijke, succesvolle mensen kunnen wonen. ”

Als je ergens anders gaat wonen dan zwicht je?

„Nee, ik bedoel gewoon: wat nou als je wel in de stad wilt wonen? Als je vrienden daar wonen en je werkt daar, maar je moet daar weg. Dan krijgen we niet een betere, leukere stad. Dat is al aan het gebeuren…”

U wilt vooral de menselijkheid behouden.

„Ja, ik vraag me af: wat maakt ons menselijk? En dan kom ik uiteindelijk tot de conclusie: falen. Gewoon omdat we uiteindelijk in alles falen: je gaat dood, de communicatie is nooit zoals je had gehoopt, je wordt altijd verkeerd begrepen, je maakt fouten. Dat is lastig, maar daar zit ook schoonheid in en waarde, dat niet alles makkelijk te verteren is. Nu moet een fout meteen een les zijn om het de volgende keer beter te doen, dan moet je weer positief denken. De mensen moeten niet zo streng zijn voor zichzelf en voor elkaar. In een systeem dat ook niet zo streng is.”

Afbeelding met lucht, vliegen, transport

Automatisch gegenereerde beschrijving

Lees ook: Maak toch lekker fouten, raden de nieuwe zelfhulpboeken aan

Falen is toch nooit toegejuicht? 

„Het gaat om hoeveel ruimte je daarvoor krijgt. Nu hoeft iemand maar één verkeerd woord te gebruiken op Twitter en zijn of haar leven is weg, die wordt ontslagen. De wereld waarin we nu leven is er een waarin fouten genadeloos worden afgestraft. Vooral bij gewone mensen, niet bij politici of machthebbers natuurlijk.”

Waarom lopen mensen dan achter zulke evident feilbare machthebbers aan?

„Nou, ik vind dat weer een voorbeeld van dat we het probleem altijd bij onszelf leggen. Er wordt ons steeds ingepeperd: een betere wereld begint bij jezelf, jij moet je vuilnis scheiden, jij moet geen plastic gebruiken. Je hebt nu mensen die heel boos worden op iemand die met het vliegtuig gaat, terwijl dat er zó niet toe doet als een miljard Chinezen almaar meer gaan vliegen en Schiphol uitbreidt. Ik vind dat een beetje klein denken.”

Het is steeds het individu dat zich moet aanpassen.

„Ik wil het individu bevrijden.”

U heeft het in uw boek ook over de onkenbaarheid van de mens, voor anderen en voor zichzelf.

„Mensen zijn het leven steeds meer tegemoet gaan treden als een schoonmaker. Je huid moet glad en glanzend zijn, de steden moeten schoon en ook: de ziel moet schoon. Er wordt een zoeklicht op het onbewuste gezet. Dat zie je ook in het racisme-debat: eigenlijk ben je een racist maar je weet het zelf nog niet en dan moet je dat onderzoeken en daarmee in het reine komen en zo een beter mens worden. Het is een onmogelijke taak.”

Want we kunnen onszelf niet kennen.

„Nee. Het gaat tegenwoordig vaak over je ware ik, of het vinden van je innerlijke kind, of je kern laten stralen etcetera, alsof je maar één persoon bent met een set op elkaar afgestemde eigenschappen. Daar geloof ik niet in. Ik denk, zoals ik ook in mijn boek beschrijf, dat iedereen heel veel verschillende kanten en tegenstrijdigheden heeft, en dat die kern dus niet bestaat. Als je wél in zo’n ware ik gelooft, dan valt die dus ook te verbeteren en te optimaliseren. Dat is het idee waar de zelfhulpindustrie zich mee voedt: ‘word eindelijk echt jezelf’. Maar dat echte zelf bestaat niet, er is geen kern. Als je het zo bekijkt, is het ook minder erg om slechte kanten te hebben of te falen. Dat doet niks af aan je goede kanten, dus dan hoef je ook minder schaamte- en schuldgevoelens te hebben. 

„En ik vind het ook mooi, de dingen die je niet weet, de manier waarop je jezelf kunt verrassen.”

Dat kan ook tegenvallen.

„Zeker. Maar nu praten mensen zo van: ik heb moeite met relaties, ik heb bindingsangst, dat komt dan door vroeger en dat moet worden opgelost. Maar het is helemaal niet erg om bindingsangst te hebben! Dan stoot je je partner maar de hele tijd af. Het leven is rommelig, de liefde is rommelig. De mens is helemaal niet kenbaar, al proberen we onszelf de hele tijd in grafieken te vangen, dat is gewoon weer zo’n manier om ons allemaal als stipjes op een scherm te zetten. Al dat geloof in algoritmes die ons zouden kennen…” 

‘Facebook kent je beter dan je moeder’.

„Mensen geloven dat dan. Misschien is dat ook wel een verlangen, dat je hoopt gekend te worden.”

Afbeelding met dier

Automatisch gegenereerde beschrijving

Lees ook: Etaleer je falen toch niet zo

Heeft u geen last van schuld en schaamte?

„Vroeger schaamde ik me voor heel veel dingen maar dat heb ik niet meer. 

„Laatst moest ik een Brainwash-talk houden, 13 minuten uit mijn hoofd, en dat ging echt héél slecht, ik was wel 5 keer mijn tekst vergeten. Toen had ik kunnen denken: ‘Oh had ik maar meer geoefend of was ik maar eerder begonnen met oefenen’. Maar nee. Want als ik eerder was begonnen had ik ook langer stress gehad, dus dit is het me blijkbaar waard. Ik geef er een draai aan, bijvoorbeeld: het past wel bij het verhaal, want het ging over falen. Ik bedoel niet: je moet positief denken, maar ik ben gewoon vergevingsgezind naar mezelf. Beter als je het goed had gedaan, maar het geeft niet.” 

Het gaat dus eigenlijk over prioriteiten stellen. 

„Ja. En je zou liefst niet alleen zo tegenover jezelf moeten staan, maar ook tegenover anderen, dat je daar dan weer niet op los gaat. De energie die overblijft kun je richten op het bestrijden van systematisch onrecht. Dan zouden we toch allemaal net iets gelukkiger zijn.”

Gewoontes werken net iets anders

Gewoontes werken net iets anders

Wie beter wil worden in zijn werk of zich gezonder wil voelen, denkt al gauw aan het ontwikkelen van nieuwe, goede gewoontes. Dus: nieuw gedrag een tijdje volhouden en daarna: poef, volautomatisch, zonder nadenken doe je voortaan altijd de juiste dingen. Dat klinkt prachtig, maar in het echt blijkt het iets ingewikkelder.

Ik las een kritisch blog van managementauteur Nir Eyal over gewoontes. Eyal raadde aan om het werk van Benjamin Gardner te bestuderen, gedragsonderzoeker aan King’s College London. En Gardner gaf de afgelopen week les op de Summer School die ik hier in Londen volg.

Wat is een gewoonte eigenlijk volgens Gardner? Een gewoonte is een aangeleerde, automatische associatie tussen een prikkel van buiten en een impuls in je brein. Je hoeft er niet bij na te denken, je hoeft er geen moeite voor te doen, de impuls volgt ‘vanzelf’ op de prikkel van buiten.

In het normale spraakgebruik gebruiken we het woord gewoonte vaak voor allerlei gedrag dat we vaak herhalen. Maar volgens gedragsonderzoekers is gewoonte dus een intrapersoonlijk proces, iets wat zich binnen je hoofd afspeelt. Gewoonte is een geleerde impuls die tot gedrag kan leiden, maar ook gedachten of gevoelens kan triggeren.

Gewoonte-onderzoekers houden zich vaak bezig met heel kleine, afgemeten handelingen. De manier waarop we bepaalde woorden combineren. De manier waarop een voetballer een pass aanneemt. Ze analyseren de legosteentjes van ons gedrag. De meeste mensen zijn echter vooral geïnteresseerd in betekenisvolle handelingen die uit vele, kleine bouwsteentjes bestaan. Zoals het voeren van een gesprek of het scoren van een doelpunt. Binnen zo’n betekenisvolle handeling spelen gewoontes vaak een rol, maar is er ook sprake van onderdelen die meer bewust, gecontroleerd tot stand komen.

Wanneer mensen iets willen veranderen in hun gedrag, zijn ze vaak niet geïnteresseerd in één legosteentje. Ze willen nieuwe routines leren: vaste reeksen van gedragingen. Je wilt je vergaderingen beter leiden, elke week twee keer hardlopen.

Wat adviseert Gardner? Allereerst moeten we ons afvragen of het gedrag dat we willen veranderen sterke gewoonte-elementen bevat. Verrichten we de handelingen waar we aan willen werken nu grotendeels op de automatische piloot of is het iets waarbij je moet nadenken? Als denken, redeneren en concentratie een belangrijke rol spelen, verwacht dan niet te veel van gewoontes.

Maar als er duidelijke gewoonte-elementen inzitten, in elk geval bij het beginnen van een routine, dan heeft Gardner de volgende praktische tips.

1) Kies zelf: formuleer een nieuwe routine die bij jou past.
2) Ga voor makkelijk: begin met iets kleins.
3) Als-dan: koppel je nieuwe routine aan iets herkenbaars, aan dagelijkse gebeurtenissen of iets wat je al vaak doet. Bijvoorbeeld: als ik een collega spreek, dan stel ik altijd eerst een vraag.
4) Wees gerust: door het gedrag te herhalen zal het steeds iets makkelijker gaan.
5) Hou jezelf gaande: motiveer jezelf door elke dag bij te houden hoe het gaat. Meet je progressie.

Maar eigenlijk moeten we dus allereerst leren om iets preciezer over gewoontes te denken. Lastig, maar wel zo realistisch en effectief als je iets wilt veranderen aan je gedrag.

Ben Tiggelaar
(verschenen als column in NRC)